Cetti's Zanger 124, 163 · 39, 45 · 19, 22
Cettia cetti · Cetti's Warbler
CDNA beoordeelsoort:
t/m 2003Dichtstbijzijnde regelmatige broed- en overwinteringsgebieden in Zuid-Engeland en Noord-Frankrijk.
De soort werd tot 1 januari 1979 beoordeeld door de CDNA (LM 53: 27, 1980; 55: 125, 1982), alleen geregistreerd in 1979-85 en weer beoordeeld vanaf 1 januari 1986 (cf LM 60: 21, 1987). De gevallen zijn niet herzien. Onbevestigde gevallen (#) staan hier vermeld. Voor gevallen in 1973 zij verwezen naar LM 48: 113, 1975; voor 1974-75 naar LM 50: 55, 1977; voor 1976 naar LM 51: 143, 1978; voor 1977 naar LM 52: 227, 1979; en voor 1978 naar LM 53: 31, 1980. Tot 2000 waren 1973-78 de beste jaren voor de soort. Na het topjaar 1977 besloot de CDNA om de soort vanaf 1 januari 1979 niet meer te beoordelen. Het toeval wilde dat de aantallen hierna vrijwel onmiddellijk afnamen door streng winterweer. In feite ging de soort reeds in 1978 vermoedelijk door een strenge vorstperiode in aantal achteruit. In 1979 werden er voor het eerst sinds 1970 geen exemplaren geringd, hetgeen duidde op geringe dispersie na de broedtijd. De soort handhaafde zich nog in 1978-83 voordat hij tenslotte als mogelijke broedvogel verdween. Desalniettemin duurde het tot 1 januari 1986 voordat men concludeerde dat er geen tekenen van herstel waren en dat gevallen weer door de CDNA beoordeeld dienden te worden (LM 55: 125, 1982; 60: 21, 1987). In 1973-85 werden meer vogels gemeld dan uiteindelijk geregistreerd door de CDNA. Zo werden bijvoorbeeld in 1977 volgens SOVON-inventarisaties 60 territoria van zingende exemplaren geteld, veel meer dan er werden doorgegeven aan de CDNA (cf LM 52: 227, 1979) en werden ten minste 23 territoria in 1978 vermeld voor Zeeuws-Vlaanderen, Zeeland (Buise & Tombeur 1988). Een voorbeeld voor 1983 is de niet door de CDNA geregistreerde aanwezigheid van ten minste twee zingende exemplaren in Zeeuws-Vlaanderen in juli-september (cf DB 5: 120, 1983). Blijkbaar werden zelfs na 1 januari 1986 verscheidene meldingen niet doorgegeven aan de CDNA omdat waarnemers zich nog steeds niet bewust waren van de opnieuw verkregen zeldzame status van de soort (zie bijvoorbeeld DB 8: 115, 1986).
De meeste territoria werden in de 1970er jaren gevonden in het zuid-westen (Zeeland en zuidelijk Zuid-Holland) met enkele bolwerken verder noordelijk zoals in het zuid-oosten van Noord-Holland. Zelfs in 1973-78 bleef de soort zeldzaam in het noord-oostelijke derde deel van Nederland met een totaal tot 1996 van (slechts) zes gevallen in Drenthe, Friesland (inclusief Waddeneilanden), Groningen (geen enkel geval; cf de Bruin & de Bruin 1997) en Overijssel. Dit verschil tussen het zuid-westen en het noord-oosten valt samen met een iets hogere gemiddelde wintertemperatuur in het zuid-westen. Hierbij moet men bedenken dat de soort hier net als elders in Europa standvogel was, die ‘s winters niet wegtrok. Het is interessant dat het eerste geval voor België dateerde van 8 mei tot 18 juli 1962 te Saint-Denis, Hainaut (Giervalk 53: 37-39, 1963, Aves 6: 47, 1969), meer dan zes jaar eerder dan het Nederlandse. De meeste aankomstdatums waren in oktober hetgeen aangeeft dat de meeste omzwervingen in die maand plaatsvinden. Het hoge aantal in april-mei kan deels worden verklaard door een toename in zangactiviteit. Er werden op verschillende plaatsen oudervogels met voer gezien zoals in het Quackjeswater, Zuid-Holland, op 23 juni 1973 (Gerald Oreel pers obs). Er is echter slechts één nest gevonden, in 1976 te Canisvliet, Sas van Gent, Zeeland. Dit is niet verwonderlijk wanneer de verborgen leefwijze van deze luidruchtige soort in aanmerking wordt genomen. Het heimelijke gedrag kan ook het naar verhouding hoge aantal van 61 vangsten verklaren, 30% van alle waargenomen individuen. Er waren twee bijzondere terugvangsten. De eerste was een eerstejaars vogel geringd op 16 juli 1973 te Lokeren, Oost-Vlaanderen, België, die op 28 oktober 1973 werd teruggevangen in de Dordtse Biesbosch, Dordrecht, Zuid-Holland. De tweede betrof het noordelijkste geval van Nederland: een op 8 juni 1981 op Terschelling, Friesland, geringde vogel, die zowel op 18 juli als op 18 september 1981 werd teruggevangen in de Oostvaardersplassen, Lelystad, Flevoland.
Sinds 2000 herstelde de soort zich weer en werd hij jaarlijks vastgesteld. Hij wordt sinds 1 januari 2004 niet langer beoordeeld door de CDNA. De soort werd hierna al gauw talrijker dan ooit tevoren, met alleen al een grote populatie van 250 paren in 2010 in de Biesbosch, Noord-Brabant. In 2016 steeg de populatie boven 1000 territoria en was het verspreidingsgebied uitgebreid tot in Friesland en Limburg.
Zeldzame vogels van Nederland [2001]; ABvdBerg [2012, 2016]




korte Mededelingen - Nieuwe waarnemingen van Cetti's Zanger (Cettia cetti). Limburg
korte mededelingen - Ringvangst van een Cettis zanger Cettia cetti bij Den Haag.
korte mededelingen - Ringvangst van een Cettis Zanger Cettia cetti in Zuidelijk Flevoland
Over het voorkomen van de Cetti's Zanger in Gelderland, Avifauna van Gelderland [avifaunavangelderland.blogspot.nl]
waarneming.nl
Korte mededelingen: Waarschijnlijk broedgeval van...tuurreservaat Canisvliet te Sas van Gent (Z.VL.)
waarneming.nl
waarneming.nl
korte mededelingen - Het eerste broedgeval van de Cettis Zanger Cettia cetti in Nederland
waarneming.nl
waarneming.nl
waarneming.nl
waarneming.nl
DB 13:41-57 artikelen - Rare birds in the Netherlands in 1989
DB 15:145-159 artikelen - Rare birds in the Netherlands in 1991