Sperwergrasmus 88, 93 · 108, 110 · 0
Sylvia nisoria · Barred Warbler
CDNA beoordeelsoort:
t/m 1992Broedt van Noord-Italië, Oost-Duitsland en Zuid-Zweden oost tot in Mongolië; overwintert in Oost-Afrika.
De soort werd tot 1 januari 1993 door de CDNA beoordeeld (LM 67: 168, 1994; 69: 18, 1996). De gevallen van vóór 1980 werden niet door de CDNA herzien. Door het Vogeltrekstation (VT) opgegeven ringvangsten in 1989-92 werden automatisch aanvaard (cf DB 19: 109, 1997). Onbevestigde gevallen (#) worden hier niet vermeld tenzij het ringvangsten betreft. Vijf meldingen van ringvangsten in 1971 (op 7-26 augustus; LM 46: 85, 1973) en drie in 1972 (op 24 augustus, 18 september en 26 september; LM 47: 46, 1974) werden afgewezen door het ontbreken van documentatie; hetzelfde geldt onder meer voor ringvangstmeldingen op 13 september 1968 in Friesland (van der Poel et al 1979) en 6 oktober 1977 op Ameland, Friesland (Versluys et al 1997). Voor gevallen in 1969-70 zij verwezen naar LM 45: 84, 1972; in 1971 naar LM 46: 85, 1973; in 1974-75 naar LM 50: 56, 1977; in 1976 naar LM 51: 143-144, 1978; en in 1978 naar LM 53: 31, 1980. Het regelmatige voorkomen in recente jaren in aanmerking genomen is het opmerkelijk dat er slechts vier gevallen van vóór 1960 zijn. In dat kader is het vermeldenswaard dat het eerste geval voor België pas van 4 september 1964 dateerde (Aves 1: 77-84, 1964). Het door Eykman et al (1936) opgevoerde tweede geval voor Nederland een adult vrouwtje verzameld op 15 april 1861 te Haren, Groningen. Dit specimen is bestudeerd door Kees Roselaar (in litt) die opmerkt dat de vogel een gesleten verenkleed had dat wees op een verblijf in gevangenschap. Het lijkt aannemelijk dat dit vrouwtje een jaar eerder te Haren werd gevangen samen met het mannetje op 18 mei 1860 en vervolgens in leven gehouden. Het is een kwestie van speculatie of daar indertijd sprake kan zijn geweest van een mogelijk broedgeval. Sindsdien is broeden niet vastgesteld (contra LM 48: 163-170, 1975).
De soort werd sinds 1964 ieder jaar vastgesteld. De beste jaren waren 1969 met 14 exemplaren, 1976 met 12, 1991 met 16 en 1992 met 12. Het jaarlijkse gemiddelde in 1980- 92 was meer dan acht gevallen. Na de beoordelingsperiode werden drie vangsten bekend voor 1993, 16 voor 1994 en drie voor 1995 (VT-archief). Jaren met grote aantallen in België waren 1994 met 24, 1991 met 21, 1989 met 17, 1992 met 17 en 1990 met 14 (in 1969 waren er vier en in 1976 geen) (Gunter De Smet in litt). Ter vergelijking is het interessant dat het jaargemiddelde voor Brittannië in 1968-79 132,in 1980-89 103 en in 1990-95 140 exemplaren bedroeg terwijl alle 181 in 1995 dateerden tussen 10 augustus en 31 oktober met bijna een derde deel in Shetland, Schotland (cf BB 90: 434, 1997). Er waren slechts vijf Nederlandse voorjaarsgevallen waarvan de vroegste dateerde van 25 april terwijl de andere vier in de tweede helft van mei werden ontdekt. Eén van deze voorjaarsgevallen was tevens de langst verblijvende en de enige voor Limburg, van 28 mei tot 13 juni 1969 te Valkenburg (gemeld door P A Hens; geen documentatie beschikbaar). Alle andere gevallen dateerden tussen 4 augustus en 17 november, de meeste gedurende eind augustus en begin september, met 11 later dan 15 oktober. Er waren in 1964-95 144 ringvangsten van eerstejaars vogels in België met als uiterste datums 3 augustus en 28 oktober; er waren geen voorjaarsgevallen (Gunter De Smet in litt). Meer dan drie op de vier gevallen betroffen ringvangsten. De verspreiding van de gevallen geeft dan ook een goed beeld van de locaties waar regelmatig geringd wordt. Bovendien lijkt de toename in het aantal gevallen verband te houden met het gelijktijdig toegenomen gebruik van mistnetten in ringstations.
Zeldzame vogels in Nederland [2001]




